fiscusmeester.
Menu

Uitleg

Hypotheek aflossen of sparen: wat past bij u?

Hypotheek aflossen of sparen? Vergelijk de bespaarde hypotheekrente, spaarrente, fiscale gevolgen en de buffer die u beschikbaar wilt houden. Levert uw spaargeld minder op dan uw hypotheek na aftrek kost, dan bespaart aflossen geld. U betaalt ook minder box 3-belasting, omdat uw spaargeld daalt.

Voor wie

Huiseigenaren met spaargeld en een hypotheek, vooral met een lage aftrek.

Let op

Vaak mag u maar 10 of 20% per jaar boetevrij aflossen. Houd een buffer achter de hand.

Dit regelt u zelf.

Wettelijke basis: art. 3.119a Wet IB, art. 3.120 Wet IB, art. 5.2 Wet IB

Artikel 3.119a Wet inkomstenbelasting 2001

Artikel 3.119a Eigenwoningschuld 1 Voor de toepassing van deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt onder eigenwoningschuld verstaan het gezamenlijke bedrag van de schulden van de belastingplichtige: a. die zijn aangegaan in verband met een eigen woning; b. ter zake waarvan een contractuele verplichting geldt tot het gedurende de looptijd ten minste annuïtair en in ten hoogste 360 maanden volledig aflossen overeenkomstig artikel 3.119c; c. ter zake waarvan aan de verplichting tot aflossing wordt voldaan (aflossingseis), en d. ter zake waarvan, ingeval artikel 3.119g van toepassing is, aan de verplichting tot informatieverstrekking, bedoeld in dat artikel, wordt voldaan. 2 Onder schulden die zijn aangegaan in verband met een eigen woning worden verstaan de schulden die zijn aangegaan: a. ter verwerving van de eigen woning, doch ten hoogste tot een gezamenlijk bedrag gelijk aan de kosten ter verwerving van de woning; b. voor verbetering of onderhoud van de woning of ter afkoop van de rechten van erfpacht, opstal of beklemming met betrekking tot de woning, doch ten hoogste tot een gezamenlijk bedrag gelijk aan de kosten van verbetering of onderhoud van de woning of ter a…

Officiële tekst, geldig vanaf 2026-02-21_0.

Artikel 3.120 Wet inkomstenbelasting 2001

Artikel 3.120 Aftrekbare kosten eigen woning 1 De aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning zijn het gezamenlijke bedrag van: a. de renten van schulden die behoren tot de eigenwoningschuld; b. de kosten van geldleningen die behoren tot de eigenwoningschuld; c. de periodieke betalingen op grond van de rechten van erfpacht, opstal en beklemming, met betrekking tot de eigen woning. 2 Tot de aftrekbare kosten van een eigen woning worden niet gerekend kosten voor zover in verband met de voldoening daarvan schulden ontstaan waarvan de verplichting tot betaling – anders dan voor het geval van overlijden of arbeidsongeschiktheid van de belastingplichtige – rechtens, al dan niet voorwaardelijk, of in feite, direct of indirect is beperkt. 3 De in een kalenderjaar bij wijze van vooruitbetaling voldane renten van schulden en kosten van geldleningen worden niet in aanmerking genomen: a. indien zij betrekking hebben op tijdvakken die eindigen later dan zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarin zij zijn voldaan doch slechts voor zover zij betrekking hebben op de periode die aanvangt na afloop van het kalenderjaar, waarbij die renten naar evenredigheid worden toegerekend aan k…

Officiële tekst, geldig vanaf 2026-02-21_0.

Artikel 5.2 Wet inkomstenbelasting 2001

Artikel 5.2 Voordeel uit sparen en beleggen 1 Het voordeel uit sparen en beleggen wordt gesteld op het product van het effectieve rendementspercentage, bedoeld in het tweede lid, en de grondslag sparen en beleggen. De grondslag sparen en beleggen is de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar (peildatum) voor zover die rendementsgrondslag meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen. 2 Het effectieve rendementspercentage wordt gesteld op het rendement gedeeld door de rendementsgrondslag. Het rendement is de som van 1,37% van de waarde van de banktegoeden op de peildatum en 6% van de waarde van de overige bezittingen op de peildatum, verminderd met 2,70% van de waarde van de schulden op de peildatum. Indien het ingevolge de tweede zin berekende rendement negatief is, wordt het rendement op nihil gesteld. 3 Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder banktegoeden verstaan: a. deposito’s als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht en daarmee naar aard en strekking overeenkomende buitenlandse deposito’s; b. een recht van vruchtgebruik dat rust op een banktegoed als bedoeld in onderdeel a; c. contant geld; d. een lidmaatschapsrecht in een verenig…

Officiële tekst, geldig vanaf 2026-02-21_0.

Wat levert het u op?

De gratis check Vermogen en vastgoed rekent het voor uw situatie uit, samen met alle andere manieren.

Start de gratis check